Showing posts with label DRC. Show all posts
Showing posts with label DRC. Show all posts

Wednesday, May 21, 2008

Het was toch vrede?

In het oosten van Congo is het officieel vrede. Toch jagen rebellen nog steeds vele duizenden mensen op de vlucht.

GOMA - Oost Congo. De stoffige zandweg van Bunia naar Beni zit de ene keer vol gaten en kuilen, en is dan weer redelijk goed berijdbaar. Het hangt ervan af of de Chinezen zijn geweest. China investeert graag in dit door oorlog verscheurde gebied. De reden is makkelijk te raden: de Democratische Republiek Congo beschikt over een enorme voorraad grondstoffen die een snelgroeiende economie als China goed kan gebruiken.

Aan de weg naar Beni ligt ook het dorp Komanda. Daar staat een oud katholiek kerkje, waar omheen een groep van zo’n vijfhonderd volwassenen en kinderen van de Lesse-stam
haar toevlucht heeft gezocht. Terwijl een vrouw is begonnen met het verzamelen van brandhout dat ze in kleine stapeltjes langs de weg uitstalt, staat of zit de meerderheid wat apathisch rond het gebouwtje, wachtend totdat iemand iets doet. Ze hebben weer alles verloren. ‘Wat hebben we gedaan dat God dit steeds weer laat gebeuren’, vraagt Ikolu Andibo (47), liggend op een kleine versleten matras, zich af. Het is niet de eerste keer dat een lokale rebellengroep Komanda binnenvalt. ‘We hadden onze huizen en levens net weer een beetje opgebouwd’, zegt Andibo. ‘Nadat de vrede en rust waren teruggekeerd,
zijn we in april vorig jaar teruggegaan naar ons dorp. Maar we zijn nog geen jaar verder en moet je nu kijken.’
Ook voor chief Kalani is het moeilijk zijn mensen zo te zien lijden: ‘We zijn hier nu een week, zonder hulp. Het regent iedere dag en de nood is groot. Vooral de kinderen lijden. Met onderdak en voedsel zouden we levens kunnen redden.’ Het is duidelijk dat de chief dit niet zomaar over zijn kant zal laten gaan. Degene die dit op zijn geweten heeft, moet gestraft worden, vindt hij. Maar ‘recht doen’ kan in een land als Congo makkelijk leiden tot wraakacties. Dat kan het gebied opnieuw in een geweldsspiraal
brengen.

In februari van dit jaar leek er een einde te komen aan een lange periode van bloedige strijd. De regering en diverse rebellengroepen zetten hun handtekening onder het ‘Goma-vredesverdrag’, maar het lijkt of er niets is veranderd. Nog iedere dag komen er mensen uit de jungle, vluchtend voor hun leven. Rebellen trekken moordend en plunderend door het
enorme gebied en voeren gevechten met het regeringsleger. Volgens VN-cijfers zijn sinds 2003 bijna een miljoen mensen op de vlucht geslagen.

In het uiterste oosten, in Goma, aan de voet van de heuvels dicht bij het Kivumeer, staat chief Adolphe Bonane. Kinderen verdringen zich om hem heen, maar hij lijkt ze niet op te merken. Le président van het Shashakamp kijkt naar de hutjes van gras en bananenbladeren. Zijn ogen staan triest bij het zien van de toestand van zijn mensen. Mensen die weten hoe te overleven in de jungle, jagend en verzamelend. Sinds mei vorig jaar hebben ze niets meer. Ze leven in deze hutjes zonder enige vorm van bescherming. En zonder eten. Ruim 200 kilometer hebben ze gelopen, op de vlucht voor het leger van de rebellerende generaal Nkunda.

Verder lezen? Klik dan door naar http://www.depers.nl/UserFiles/File/De%20Pers%20woensdag%2021%20mei%202008.pdf, en kijk op pagina 9

Friday, April 25, 2008

Valerie helpt vrouwen in Bunia de draad weer op te pakken

Met een sjawl om haar schouders geslagen en haar haar opgestoken, is Valerie een van de mooie Congoleze vrouwen die in Bunia, een plaatsje in het noordoosten van de Democratische Republiek Congo, rondlopen. Ze is een zakenvrouw. Maar vooral ook moeder met een hart voor de vrouwen en kinderen in dit door oorlog en geweld verscheurde gebied. Daarom is ze een project begonnen dat weduwes en jonge moeders moet helpen aan een inkomen en dat jongeren voorlicht over de gevolgen van onbeschermde seks.

Wie even graaft in zijn of haar herinneringen, zal weten dat Bunia een paar jaar geleden (in 2002) het middelpunt was van geweld. Lokale rebellengroepen bestreden elkaar terwijl Monuc, de militaire hulpmissie van de Verenigde Naties, de rust en stabiliteit probeerde terug te brengen en te bewaren. Bunia was een ‘hotspot’. Duizenden mensen vluchtten of kwamen om bij de gewelddadigheden. Zij die het kunnen weten spreken van straten vol doden.

De gevolgen waren en zijn nog steeds enorm. Niet alleen verloren mensen een of meer geliefden, ook raakten ze daarmee vaak een inkomen, veiligheid, bescherming kwijt. Vrouwen bleven achter zonder echtgenoot en in de meeste gevallen vaak ook zonder 1 of meer kinderen. Kinderen verloren ouders en waren aangewezen op de zorg van familie of in het ergste geval, op zichzelf.
Seksueel geweld en prostitutie zijn twee van de zaken die de vloedgolf van geweld in Bunia achterliet, met alle gevolgen van dien zoals een groeiend aantal tienermoeders en een dramatische stijging van het aantal mensen dat kampt met geslachtsziektes en aids.

Valerie schetst de situatie met droge ogen. Maar in haar woorden en de toon waarop ze spreekt, schuilt een diep gevoel van mededogen: “Na de oorlog zag ik dat veel vrouwen slachtoffer waren. Ze bleven alleen achter en raakten vaak in de prostitutie verzeild. Jonge vrouwen, moeders... om wat te doen te hebben, om geld te kunnen verdienen. Zelfs kinderen vonden hun weg naar de prostitutie. Omdat er niets is en om hun ouders te helpen. Met alle gevaren van dien, en ziektes die ze kunnen oplopen.”

Een van de dingen die Valerie daarom is gestart is een schoolprogramma waarin ze kinderen vanaf 10 jaar vertelt over de gevaren van deze ziektes en hoe ze dit kunnen voorkomen.
Onder de vrouwen en jonge meiden heeft 12 tot 13 van de honderd een seksueel overdraagbare ziekte. Een hiv-test en ook de aids-medicatie is gratis, maar een vervolgtest voor bepalen van de behandeling kost geld en daarvoor hebben vrouwen vaak het geld niet.Valerie: “Vrouwen trouwen hier vaak meerdere malen of hebben meer partners. Wanneer hun man geen geld verdient, worden ze bijvoorbeeld de concubine van een Monuc-soldaat en voor hun ‘diensten’ krijgen ze dan geld. Wij bieden counselling aan en adviseren vrouwen om zelf hun geld te verdienen in plaats van ziektes op te lopen.”

Om vrouwen en in sommige gevallen weesmeisjes, een alternatief te bieden is Valerie onder de naam Ituri Women Empowerment Center met een naai- en landbouwproject gestart. Vrouwen worden hier getraind, geholpen om hun producten aan de man te brengen en in de toekomst hopelijk iets voor zichzelf te kunnen starten. Een deel van de opbrengsten vloeit terug in het project om het in stand te kunnen houden, het andere deel mogen de vrouwen zelf houden.

Tijdens het naaien en het werken op het land praten de vrouwen onderling over wat ze hebben meegemaakt en zijn elkaar daarin tot steun. Ook aids komt daarin aan bod. Valerie spreekt hierover twee keer per week: “Deze vrouwen hebben enorme problemen. Behalve geen inkomen en geen huisvesting (in de oorlog zijn de meeste huizen verwoest), kampen ze met ziektes. En het is beter om te werken aan preventie dan de gevolgen van een ziekte.”

Valerie’s echtgenoot werkt voor de MAF (Mission Aviation Fellowship, een organisatie die zendings en NGO-werkers naar plaatsen in Afrika vliegt), maar ze heeft niet voldoende middelen tot haar beschikking om te doen wat ze wil doen. “Van het landbouwproject hadden we bijvoorbeeld 18 zakken mais staan die naar de markt vervoerd moesten worden. Soms kunnen we daar de vrachtwagen van de MAF voor gebruiken, maar lang niet altijd. En onze 15 vrijwilligers die het schoolprogramma draaien, hebben verder geen werk en inkomen en dus willen we hen graag wat geven, ook om gemotiveerd te blijven.” Over haar eigen motivatie zegt ze: “Ik ben zelf moeder en ik wil graag andere moeders helpen.”

Wil je deze vrouwen ook helpen om de draad weer op te pakken, dan kan dat. Een bedrag van 100 euro per maand zou Valerie en haar werk al enorm steunen en helpen. Daarvoor kan ze de kapotte naaimachines repareren en nieuwe aanschaffen; daarmee kan ze haar voorlichters aan een klein inkomen helpen; daarmee kan ze gaan plannen voor de aanschaf van transportmiddelen. Laat het me weten als je belangstelling hebt en stuur een email naar marjoninafrica-at-yahoo-punt-com.

Wednesday, April 16, 2008

"“Op een dag zal Baraka, de kindgeneraal, vluchten”

Ondanks een nieuw vredesakkoord dat strijdende partijen in de Democratische Republiek Congo eerder dit jaar in Goma ondertekenden, lijkt echte vrede nog ver weg. Mama Baraka (26) zette ook haar handtekening onder het akkoord, namens haarzelf en als aanvoerster van een rebellengroep die zich schuilhoudt in de wouden rond Beni, een plaatsje in het oosten van het immense land. Ze hoopt dat ‘haar’ groep zich zal overgeven voor demobilisatie, maar vooral ook dat ze daarmee haar zoon terugkrijgt. Sinds zij bijna vijf jaar geleden de bush verliet, houdt de groep Baraka (6) bij haar vandaan. Hij is hun ‘kind-generaal’.

BENI - Een jonge Congolese vrouw, een meisje nog, voegt zich bij een van de rebellengroepen die de republiek al decennia lang onveilig maken. Ze trouwt met de aanvoerder van de groep en samen krijgen ze in Juli 2001 een kind. Een zoon. Hij krijgt de naam ‘Baraka’ wat in Swahili ‘Blessing’ betekent: Zegen.

Maar vanaf het moment dat zijn vader overlijdt in 2002 is zijn jonge leven middelpunt van strijd – strijd tussen de moeder die de rebellengroep heeft verlaten en haar kind bij zich wil hebben, en de rebellengroep die de zoon van hun voormalige leider magische krachten toedicht en hoopt dat zijn moeder zich opnieuw bij hen voegt om de leiding weer op zich te nemen.

Moeizaam

Als we proberen contact met ‘Mama Baraka’ te leggen, gaat het via omwegen. Ze is niet makkelijk te traceren en een afspraak maken gaat op het laatste moment. “Bel me om een uur en ik zal zeggen waar we elkaar kunnen ontmoeten”. Uiteindelijk spreken we haar op het kantoor van World Vision, een hulporganisatie die zich het lot van Baraka heeft aangetrokken en wil helpen om de jongen uit de bush krijgen.

Is mama Baraka op de vlucht? “Nee hoor”, zegt de 26-jarige. Ze kan zich vrij bewegen en heeft niets te verbergen. Als we later door de straten van Beni, een stadje van 500.000 inwoners in de Kivu-provincie, lopen wordt ze door verschillende jongens aangesproken. Onder Beni’s inwoners bevinden zich veel ex-rebellen die na de vredesonderhandelingen hun wapens hebben ingeleverd en nu proberen om weer een gewoon leven op te bouwen. Ze leren bijvoorbeeld voor timmerman of rijden rond op een motor en bieden een taxi-dienst aan.

Spreken met haar verloopt moeizaam. En niet alleen vanwege een taalbarrière. Op bepaalde momenten lijkt het alsof ze wil opstaan en wil weglopen uit het gesprek. Het onderwerp ‘Baraka’ ligt duidelijk heel gevoelig. De vragen laten zijn moeder zuchten, draaien met haar hoofd en schuiven in haar stoel. Maar toch, ze blijft zitten. Hoewel ze geen geschiedenis wil ophalen van voor de geboorte van haar zoon en ook niet wil praten over haar tijd bij de rebellen, de redenen waarom ze vochten en het leven in de bush. “That’s a long story, it’s too hard to go there”. Maar dan vertelt ze wat ze wel kwijt wil.

Onderhandelingen

“Toen Baraka zes maand oud was, splitste de groep zich. Mijn man ging er met een klein aantal mannen op uit om te vechten. Ik bleef achter met de rest. Voordat hij vertrok, zei hij dat hij de rest van de troepen onder mijn hoede achterliet. Als ik het niet aankon, moest ik het aanbod van de regering aannemen en me met de groep melden voor demobilisatie. Mijn echtgenoot is nooit teruggekomen. Tijdens de missie werd hij door een paar van zijn eigen mensen vermoord.

“Ik bleef achter als aanvoerder van de groep. Het was een leger en ze wisten dat ze me als leider moesten gehoorzamen. In 2003 voegde ik me rond de onderhandelingstafel met de regering om te kijken of we tot een overeenkomst konden komen. Als wij ons lieten demobiliseren bood de regering aan om ons op te nemen in het nationale leger. Toen ik van die onderhandelingen terugkeerde, vond ik niet mijn zoon. De bendeleden stuurden me van het kastje naar de muur, zeggend dat hij dan weer daar en dan weer ergens anders was. Na verloop van tijd begreep ik dat ze mij bij hem vandaan wilde houden. Baraka was toen 2, kreeg geen borstvoeding meer en kon dus zonder mij leven.

“Ik liet mijn zoon achter bij de groep en besloot te demobiliseren. Ik wilde me alleen niet bij het nationale leger voegen omdat ik dan overal in het land geplaatst kon worden en nog verder weg bij hem vandaan kwam te zitten. Maar ook omdat ik bang was dat ik als soldaat dan mogelijk tegen mijn eigen zoon zou moeten vechten..."

Verborgen

"Ik heb talloze keren geprobeerd om Baraka uit de bush te krijgen, maar het is allemaal niet gelukt. De eerste poging was toen hij drie jaar oud was. Maar de groep ontdekte dat ik Baraka mee wilde nemen om niet meer terug te keren en sindsdien houden ze hem verborgen voor mij. Waarom? De voornaamste reden is dat een deel van de groep de bush niet wil verlaten en wil dat ik terugkom. Ze zien mij nog steeds als hun leider die hen kan helpen om te overleven. En ze gaan ervan uit dat een moeder niet zonder haar kind kan, en dat ik dus wel terug zal komen vanwege Baraka.. Ze willen bovendien de jongen niet laten gaan, omdat ze geloven dat hij bepaalde magische krachten heeft gekregen van zijn vader.

“Ik heb regelmatig contact met mensen uit de groep. Ik hoor dan ook dat Baraka soms naar zijn moeder vraagt. En af en toe stuurt hij mensen om kleding voor hem te halen. Ook hoor ik dat hij niet wil hebben dat bendeleden negatief over mij praten. Als hij dat hoort krijgen ze voor straf een week geen eten. Baraka wordt 7 dit jaar. Hij is een slimme jongen. Hij kent geen leven buiten dat in de groep in het oerwoud, maar ik geloof dat op een dag, misschien als hij 10 is ofzo, hij in staat zal zijn om te vluchten en zijn eigen weg te kiezen.

Maar misschien dat voor die tijd de groep ervoor heeft gekozen om zich over te geven en hun wapens in te leveren. Dat hoop ik. Want het gaat niet alleen om mijn kind dat ik terug wil zien. Het gaat om meer mensen, om meer kinderen zoals hij. En de Congoleze regering ziet mij nog steeds als verantwoordelijk voor de groep. Dus wat voor verkeerde dingen ze ook doen, ik word erop aangesproken."

Jungle

"In mijn contacten met groepsleden praat ik met hen over de mogelijkheid om uit het rebellenbestaan te stappen. Het leven in de bush is geen leven. Ze gaan daar dood van de honger, door ziekte of door elkaar te vermoorden. Er is geen goed leiderschap, er staat een jungle tussen hen in. Ik laat hen zien dat de mensen die ervoor hebben gekozen om terug te keren in de samenleving een goed leven leiden. Ikzelf woon in Beni en heb een dochtertje van vijf maand oud. Ik woon in het huis van mijn broers. En ik wil niet terug naar dat andere bestaan.

Maar Baraka is bij mij. Bij alles wat ik doe, hij is altijd in mijn gedachten en gaat nooit meer weg. Ik weet niet hoe het zal zijn als ik hem weer terugzie, want door alles wat hij mee heeft gemaakt is hij anders dan andere kinderen. Maar ik geloof dat God in staat is om hem bij mij terug te brengen. God hield zoveel van mij dat Hij me, ondanks alles wat ik heb gedaan, heeft beschermd en me naar deze plaats heeft gebracht. En zoveel houdt hij ook van Baraka.”

Saturday, April 5, 2008

A monster hiding

As the world is watching history unfold in Zimbabwe, I am reading a book on the life of it’s leader Robert Mugabe. It’s not the usual stuff, where an writer gathers what (s)he thinks are pieces of the puzzle and is trying to complete the picture. The book "Dinner with Mugabe" written by South African journalist Heidi Holland is different in that it’s aim is to offer an insiders view in the thought life of an African leader who turned out to become a dictator.

Holland spoke with many different people who in one way or another, at some point in time, got to know, work and/or live alongside Robert Mugabe. And she had an interview with the man himself. Then listening to the tapes, with the help of psychologists she tried to analyze Mugabe’s personality and character. The result is a book that not just offers interesting reading, but also helps to ‘understand’ dictators as human beings.

It’s not an attempt to justify what is wrong, but it’s an effort to look beyond the man who’s been portrayed as a monster. Robert Mugabe is not the devil. He’s a man of flesh and blood. A very lonely, disappointed, emotionally immature and power hungry man who’s trying to keep things together in an extremely self-centered way. If circumstances would have been different and if he had made other choices, Zimbabwe would not be where it is today.

Reading the book makes me think of my experiences in the Democratic Republic of Congo (DRC) last month. Meeting people who were involved in rebel activities, in killing and plundering, gave me a new insight in human nature. More than ever I'm aware of the fact that had my circumstances been different and had I made other choices then I did, I could have ended up being one of them. Because I know that somewhere deep down inside of me there's also a murderer, a dictator hiding. And it's only by the grace of God that that hasn't surfaced in such a way that we encounter with the "monsters" of our era.

Although.... I sometimes am angry. And I do judge. And wasn't it Jesus who warned us, comparing these attitudes with killing someone?



Sunday, March 9, 2008

Processing time

I am back with my friends Nico and Inge in Kampala. And will use the next few days to process my DRC-adventure. I had a GREAT time. What an experience! I travelled criss-cross through the Ituri, North and South Kivu provinces, saw places and met many wonderful people.

The DRC, this nation that in my view had become some sort of 'black hole' (it just takes and nothing positive seems to come out of it), opened itself up to me with its amazing beauty and lovely people.
The country itself has a lot of potential in terms of resources: minerals, furtile land and lots of people. It is rich. Actually, Congo could be one of the wealthiest nations on earth if it would be able to use all its resources in a productive way. However, there are many different parties both within and outside its borders who look at having a piece of the cake. And who benefit from the instability in particularly the rich eastern part of the country.

The Congoleze themselves are gentle, kind and caring people. It's very easy to get contact with them and have a great time. They love dancing and singing. In general they have a soft heart and are not seeking conflict or the challenge of a fight. How ironic and tragic it then is that a huge part of their country is in shambles caused by fighting, killing, plundering, burning, raping, abduction...

This nation is full of giants; huge and complex issues that humanly speaking cannot be resolved. But the good news is that ultimately the future of this nation doesn't depend on us humans, and so I could leave with a sense of hope. Hoping that slowly but surely, through many efforts, peace will find its way to people's hearts, opening doors for healing and restoration to the whole of the nation. And hoping that I can go back some time soon!


(Photo: Christian Kilundu is working as a communicator for World Vision in eastern DRC. He was my guide most of the time in and around Beni and Goma. He not only introduced me to some of WV's projects but also told me a lot about the history of the country and didn't grow tired answerring my trillion questions. I was excited to find out that he has a journalism background as well! :-))

Friday, March 7, 2008

Kantoordagje...

Vandaag een kantoordagje. Foto's organiseren, laatste spelling check van namen van plaatsen en mensen (leuk: veel is gewoon schrijven-zoals-je-het-zegt...), aantekeningen doornemen, nog een gesprekje met deze en gene en lunchen in een van de 'upperclass' hotels in Goma.

Morgenvroeg vlieg ik met een vlucht van een NGO (nee, geen Congoleze luchtfietserij meer voor mij...) via Beni terug naar Kampala. Het plan was dat ik daar met Ri-et het weekend zou doorbrengen, maar dat gaat helaas niet door. :-( Ik ga dus weer gezellig bij Nico en Inge op bezoek en maandagmorgen stap ik waarschijnlijk op een bus naar Soroti. Dat is dan de laatste 'uitzetter' voordat ik vrijdag terugkeer naar huis.

Tijd in de DRC was heel heel erg bijzonder. Het is een land vol 'reuzen' die menselijkerwijs gesproken niet verslagen kunnen worden. Maar ik geloof ook niet dat het van ons mensen afhangt en dus heb ik hoop. De Congoleze bevolking zelf heeft een zachtaardig karakter, ze zijn warm en hartelijk en oha vredelievend. Het land is alleen TE rijk, zoals een Nederlander vanmorgen opmerkte. Als alle rijkdom (grondstoffen, mineralen) eerlijk verdeeld zou worden onder de Congoleze bevolking, zouden ze rijker zijn dan de gemiddelde Amerikaan of Europeaan... Dat ze zich dus in een situatie bevinden van zoveel geweld, is grotendeels te wijten aan feit dat ze veel hebben en verschillende partijen en landen een stuk van die cake willen. Met name hen die zelf weinig of niets bezitten zoals Rwanda.

De gevolgen hiervan zijn dagelijks zichtbaar. Het mag dan officieel 'vrede' zijn in de DRC, nog dagelijks vormen zich nieuwe vluchtelingenkampementen. Sommigen daarvan in gebieden waar noodhulp niet of nauwelijks toegelaten wordt door de lokale rebellengroepen.

Gisteren bezocht ik een drietal vluchtelingenkampen. De eerste, Shasha - een pygmee-enkamp, bestaat nu bijna een jaar en voedselhulp heeft deze mensen nog niet kunnen bereiken. Het betekent dat de ruim 8000 mensen en kinderen (driekwart van het kamp bestaat uit kinderen tot 17 jaar!) echt niets hebben. Het stuk plastic wat ze kregen om hun hutjes van bamboe en bladeren in ieder geval waterdicht te kunnen maken, hebben ze verkocht om wat eten te kunnen kopen. World Vision heeft in deze kampen zogenoemde Child Friendly Spaces ingericht waar kinderen kunnen spelen en worden beziggehouden door een aantal WV-medewerkers samen met betaalde vrijwilligers uit de kampen zelf.

Ik heb heel erg veel bewondering voor de mensen hier. Veel van World Vision's medewerkers zijn Congolezen - mensen die ervoor kiezen een verschil te maken in hun eigen door oorlog en rampen verscheurde land, een land wat door mensen met macht wordt gebruikt en misbruikt voor hun eigen doeleinden.
Vanmorgen bedacht ik dat iedereen die nog gelooft in de grondbeginselen van het humanisme, hier een weekje rond zou moeten lopen.

(Foto: World Vision is als een van de weinigen werkzaam in het Shasha Kamp nabij Goma. Ze zorgen voor afleiding voor de kinderen dmv spel, sport, toneel, dansen, zingen, tekenen etc.)

Wednesday, March 5, 2008

Nation full of unbelievable stories


My next (fearful) adventure was taking a domestic Congolese flight wednesday morning from Beni to Goma. But it all went well and I arrived safely at the regional office for World Vision in Eastern Congo. It's rather strange to walk (or: drive) through the lava landscape that this town is made of, with burned cars and trucks still lying around as silent witnesses caught by the flood of mud, rocks and fire that covered this place in January 2002. The vulcano (the Nyiragongo) is still active and in the evening you can see the top glowing.

On the last day in Beni I had a very special meeting with a young woman whose son is 'general' of one of the militia groups roaming the rural country side around Beni. He was born while his mother and her husband were leaders of this group.
After her husband's death, killed by his own men, the woman went into negotiations with the government about demobilisation of the group. When she got back from the talks it appeared the militias had hidden the child from her. He was then 2 years old.
She hasn't seen him ever since. Every attempt to try and see him, has been blocked. The rebels keep him away from her because they are afraid that she will take him with her and they believe he has certain spiritual powers which were given to him by his father. World Vision has taken interest in the story and want to help. Baraka, the child-general turns 7 this year. His name means 'blessing'.

It's one of the many many unbelievable stories you hear when you are travelling through this nation. Everywhere you go you meet people who have traumatic life stories to tell cause they've been experiencing (the affects of) war, (natural) disasters, diseases.
This morning I'm planning to visit some of the camps for displaced people (IDP's) close to Goma and this afternoon I am invited by a group called 'Heal my people', which offers help to women who are victims from sexual violence, to celebrate International Women's Day with them.

Sunday, March 2, 2008

When will the road get better? (1)

“This road used to be good. When we see it’s getting worse, why don’t we do anything about it?” It’s a rethorical question and coming from Christian. Christian is from the DRC and working for World Vision in his own country. We’ve hardly met and already are trying to tackle the major questions. Issues that are not just theoretical but are affecting him and his people in very deep and real ways.

While our car is almost flying over the road, with or without potholes depending on whether the Chinese have been there or not, Christian searches for answers. He goes back in history to Mobutu Seko Seko’s dictatorship and money disappearing to foreign bank accounts and in the pockets of officials instead of being invested in infrastructure. After that, war followed war and it quenched the last bit of hope from people’s souls. If you know that what you build today is very likely to be destroyed tomorrow, why bother building at all?

As we are passing through a furtile land, fields and hills, rain forest and small villages with lots of people, I wonder again why it is that this nation that is so rich in all imaginable ways, can’t pull itself together. For with its resources and minerals it could be one of the wealthiest countries in the world.

In the mean time we are passing churches – churches everywhere. While schools are thinly spread, almost every village seems to have a church. Mostly catholic. In this nation the message is in my face: Or the gospel is not true and is not good news at all. Or we as a church have done something very terribly wrong. And to be honest, I think it’s the latter.

When will the road get better? (2)

My train of thoughts is suddenly interrupted when the driver stops the car. We’re in Komanda, a village between Bunia and Beni. Christian wants to get out to check on some news he heard yesterday. It appears that recent violence has forced a new group of refugees to camp in the yard of the local catholic church.

It’s not hard to find them. Around what looks like a church building is a crowd of approximately 500 people, mostly just standing or sitting while children either sit or play in the middle. A little boy is sitting on a huge stone, keeping a stained Unicef bag close to him. The UN's children's organisation has been handing out thousands of them in schools, and this boy obviously still has it including the pen and the note book it contained. Did he take it with him when his family had to leave everything behind? Just next to him a woman has started to gather fire wood in small piles next to the road, ready to sell.

In the meantime Christian has started talking with the chief and and the elders, while curious people soon become a crowd surrounding them. The chief tells that they are from the Lesse tribe. They have been here since Monday, after a rebel group attacked them and burned their houses. They had to run for their lives. And had nowhere else to go then back to this place that they left in April last year, when it seemed to be safe to go home again. The chief doesn’t know who the rebels were, but is desperate to find out. It’s not hard to guess why, says Christian when we are back on the road. The chief will want revenge.

It’s very hard to leave these people behind. No one seems to be looking after them and many of them haven’t had food since they arrived. They are just surviving. Hoping that someone will come and help them. Hoping that there will come a time that the roads will be good again.

Friday, February 29, 2008

Good bye - next stop

Tomorrow morning early I'll be leaving Bunia for a two hour trip to Beni. The journey used to take about eight hours but thanks to the Chinese (!) who build a new road, it's now a short drive. I'll be joining World Vision for about a week to visit some of their projects in and around Beni and (from Wednesday) in Goma. And hopefully do a few other things too.

It seems new violence has broken out around Gety, fights between the government's army and rebels, and also north of Bunia. Despite the fact that things here are definitely getting better, it shows that the situation is still quite explosive.

Thanks to Medair's wireless internet I was able to write regular updates, but don't expect this will continue. So for the next two weeks or so, please be patient. :-)

Dag Bunia


Ik ben begonnen aan mijn laatste dag in Bunia. Morgenvroeg hoop ik met een medewerker van World Vision naar Beni te rijden, een rit van ongeveer 2 - 3 uur is me verteld. Tot voor kort deed je daar zeker acht uur over, maar dankzij de Chinezen (!) die een behoorlijke weg hebben aangelegd, is het nu dus een kort ritje.

Ik heb de afgelopen dagen veel tijd doorgebracht in het Monuc-huis, zoals ze dat hier noemen. Het 'huis' bestaat uit een loods als restaurant ingericht met blauwgeruite tafelkleedjes. Aan de bar staan vaak de Griek die de tent leidt met een aantal Congolezen. Buiten schuilen een paar plastic tuintafels en stoelen onder rieten Hawai-parasolletjes, met daarachter een soort paviljoen: open met een groot rieten dak waar vlaggen van allerlei landen met punaises tegenaan geprikt zijn. Tegen de achterwand de grote UN-vlag met krabbels in de trant van 'I was here'. Je kunt er terecht voor een maaltijd, koffie, een biertje. Bovendien wordt er regelmatig een film gedraaid en vrijdagavond is er 'happy hour'.

Hoewel het Monuc-huis in eerste instantie is bedoeld voor de medewerkers van de gelijknamige VN-vredesmissie, heeft het vooral ook de functie van centrale ontmoetingsplek voor de buitenlanders ('expats') die in Bunia werken. Bij de poort moet je je identificeren en het blijkt dat mijn Postbank-kaart de deuren hier wagenwijd opengooit. :-) Of is het Riët? We hebben er deze week in ieder geval aardig wat tijd doorgebracht.

Maar ik heb er ook een paar keer gezeten met mensen die hier werken zoals Valerie, een Congolese die zich het lot heeft aangetrokken van vrouwen en kinderen in deze omgeving. En een verschil probeert te maken door hen te helpen met het verdienen van een inkomen en te informeren over seksuele overdraagbare ziektes. Of met iemand als Bryan die werkt aan het opruimen van mijnen en iedere keer weer geniet van het geluid van het opblazen van ammunitie en wapens. Wetend dat niemand die ooit meer kan gebruiken.

Er is ook een loods waar een aantal fitnessapparaten staan opgesteld en daar kun je de 'expats' regelmatig vinden aan het einde van een werkdag. Om het af te wisselen rijdt Riët een paar keer per week naar het vliegveld waar je rondjes kunt rennen over het zandpad om de landingsbaan. Gisteravond meegeweest. Al lopend genoten van rust (geen stof, en geen vliegtuigen...), schitterend uitzicht en een ondergaande zon. Maar goed, beetje bizar is het wel. Stel je voor dat je op Schiphol rondjes kon gaan rennen om de landingsbaan....

Zoals gezegd, morgenvroeg op weg naar Beni. Dankzij Medair’s draadloze internetverbinding was ik hier in staat iedere dag te schrijven. Dat zal de komende twee weken anders zijn. Je zult dus waarschijnlijk even moeten wachten op de volgende blog.

Thursday, February 28, 2008

Demining

You can have a nation where there is peace and that has been rebuild. But what if the citizens of that nation have not found peace within themselves? War and natural disasters leave their marks in lives of human beings all around the world. And although we are quick in responding with food, medication and rebuilding houses, it doesn’t deal with what is going on inside, in the hearts of the people involved. That’s why MedAir in Bunia is running a psycho-social project for people living in the war-torn Ituri-district.

The people of Congo have had, and some still have, more then their share of war. And the main aim of MedAir’s psycho-social project is to help them understand that it’s normal if they and/or those around them struggle with symptoms of stress such as aggression, night mares, alcohol abuse. When you tell people this, it's a huge relief to them cause they now understand, Riët tells me. She’s been the project manager running the project since 2006 and she works with two very qualified Congolese people.

She continues explaining: “When we do our training we explain to people what the symptoms of traumatic stress are and give them some simple tools that they can use in dealing with the issues. Besides trying to continue normal life as much as possible, talking and listening are extremely important tools. People need to have a place where they can talk about their experiences and where there is someone who is listening.”
To do this doesn’t require a psychiatrist, she says. It could start in the IDP-camps where people can help and support one another just by listening. “Talking about experiences helps to destress and the sooner you can do this, the more it can prevent bigger problems at a later stage”.

In training key people in communities, health structures and in schools, MedAir wants to enable them so that they can help and support those around them. So far the results of this training have been encouraging and the plan is to end the project in July this year.

Crops
“I really feel we’re making a difference”, Bryan says. He is working with a South African demining company in the Ituri area. “When we blow up the ammunition and weapons, when you hear the loud ‘bang’.... that’s a great feeling. Cause you know that no-one ever can use these things anymore. And it's wonderful to see when people start growing their crops again on the field that you have just cleared.”

He tells me how before they got to clear a piece of road, a pregnant woman was hit by a mine and lost her baby and both her legs. When they got in, they didn’t just clear the mine but also helped her to find medical attention and to get prosthetic legs. These days she is involved in bringing awareness to her fellow country men and women about the risk of mines and what to do when they detect one.

It strikes me that ‘demining’ seems to be a key to find a long lasting solution for Congo’s deep ingrained problems. Not just clearing the land but also people’s minds – bringing inner healing so that they can really move forward into another future.

Wednesday, February 27, 2008

Women working towards lasting peace


I’ve been only three days in this country and I’m already overwhelmed by the complexity of its problems and challenges. Did the elections in 2006 and the different peace agreements between government and militia’s seem promising, since then the situation on the ground is still very explosive. In some parts of the country the situation has definitely become more stable but in the Ituri area where I am, the violence has continued. Although the original root was the fighting between two tribes, the Lendu and the Hema, these days it's mainly small groups of rebels who do not want to hand over their weapons and continue to keep plundering, killing and raping.

There is the risk of over simplifying the problems, but facts cannot be over simplified: The multiple wars in the last ten years have cost the lives of at least 4 million people. And just in the Kivu-province alone about 800.000 people are displaced. Being in Bunia, with all its NGO’s and the UN planes flying over on a regular base, I wonder if there’s ever gonna be an end to this tragedy. No human can fix this, that’s for sure. However, it’s great to meet two women who in their own ways with their unique gifts are trying to bring relief to the Congolese people.

Marian, a doctor from the Netherlands, has been in Congo for the last 16 years. She witnessed the trauma of the different wars that destroyed the country. Sometimes she was evacuated, other times she was not. She had friends killed like flies, she saw her work destroyed. But at the end she always decided to come back. To continue distributing medication and bringing healthcare to people in remote places. Trying to explain Marian cannot say anything else but “I have this deep love in my heart for the Congolese and for this country”.

And then there’s Valerie, a Congolese woman. With her husband and ten children she survived the multiple wars that ripped her country apart in the last decade. After the last one, in 2003, she decided she was going to do something. With the help of a Dutch donor she started an organization for vulnerable women; women who lost their husbands, who didn’t know how else to survive but to sell their bodies and go into prostitution, teenage mothers. Nowadays she and 15 volunteers are helping over 55 women to earn a living through an agricultural and a sowing project. Valerie offers skills training and support. “I feel compassion for these women who are like me”, she says. She also visits schools where she gives sexual education to children from 10 years upwards.

Her main struggle is finances for transport and to be able to pay her volunteers at least a small fee for the work they are doing. Maybe if the UN could give a portion of their annual budget of 1 billion dollars, needed to keep the DRC-mission going, to a woman like Valerie, that would be a real contribution to lasting peace.

Tuesday, February 26, 2008

First update from Bunia

I am in the DRC – the Democratic Republic of Congo, in the heart of Africa. Not only a unique, but in a way also a symbolic event for me.

I arrived yesterday morning in Bunia on a small MAF-airplane from Entebbe airport in Uganda. An adventure in itself. For those boarding a MAF aircraft means going around the regular checking-in process and so I found myself happily pushing my carriage past a long line of people waiting. Felt kind of like a VIP.
Flying on a small aircraft is another thing, and by then the VIP-association had definitely gone. But it was a smooth flight over small towns, green forests and the huge lake Albert.
Once we landed in Bunia I took a photo from the airport from where I was sitting. It was going to be the first and last picture I would take here, cause with militia’s and police-men everywhere, taking photos in public is not a wise thing to do. I’ve heard a couple of stories of people who got caught in the action and had to be rescued from a mob or jail. And since my desire for adventure is not that great, don’t expect nice little Bunia pics on this blog. ;-)

Yesterday and today Ri-et has taken me on a small tour along people and places that I had to meet and see. And of course we talked a lot.... Center for those who want to socialize seems to be Monuc-house, a ‘hang-out’ place for members of the Monuc force (the UN-peace keeping mission in the DRC) and other NGO’s.
Moving around doesn’t seem to be too dangerous in this area although it’s very limited. You can walk through the sandy and after the rain, muddy streets (no tarmac), at least in this part of the town where there’s a strong UN and NGO-presence. And during the evening you can go out by car for a drink to the Monuc house or a meal in one of the two or three restaurants in town that offer a very short menu. Last night we went to a place that’s run by a Greek and we had a choice of chips with pork, chips with fish or chips with chicken. For 6 dollars we endured a few power cuts but enjoyed a good meal.
This afternoon I have started with meeting people and talking with them about the situation here in Bunia, the complexity of the country at large and about their work/organization.

More on Bunia? See: http://en.wikipedia.org/wiki/Bunia. And on DRC: http://en.wikipedia.org/wiki/Democratic_Republic_of_the_Congo

Of voor de Nederlandse equivalent, zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Democratische_Republiek_Congo